feb 132022
 

In het hoofdstuk over de kinderen van Willem Deurvorst en Lidwine Reiger wordt eerst het leven van de oudste zoon, Gerrit Deurvorst, getrouwd met Anna Lagerweij, besproken. Gerrit was medeoprichter van de Terborgsche Bouwmaatschappij, maakte daar kennis met het werk van architect Ovink en verbouwde zijn huis een aantal malen mooi en grondig. Hij liet zelfs een tuin in landschapsstijl aanleggen. Het geld voor deze dure verbouwingen verdiende hij in de van zijn voorvaderen overgeërfde wijnhandel. Gerrit stierf jong op 57-jarige leeftijd. Voor de met nog jonge kinderen achtergebleven weduwe en haar twee in de wijnhandel geïnteresseerde zonen, Frans en Theo, bracht dat niet voldoende geld op. Frans was daarom in 1916 naar Zutphen gegaan. Hij had zich ingekocht in de Zutphense wijnhandel Vetter & Co, en was daar succesvol, niet alleen zakelijk maar ook sociaal. Ook hij stierf jong in 1947. Theo zette samen met zijn zusje Miep de wijnhandel voort. De liquidatie in 1942 maar ook wat eraan voorafging wordt geschetst aan de hand van een rapport van de Duitse Verwalter die de liquidatie aan zijn Vorgesetzte in Duitsland uitvoerig uit de doeken deed en zijn brieven altijd met Heil Hitler! afsloot.

Een hoofdstuk wordt gewijd aan de vijf dochters uit het gezin Deurvorst-Reigers. Eén schattig meisje, foto aanwezig, stierf op 8-jarige leeftijd, één werd woninginspectrice bij de Staatsmijnen en twee dochters, Anna en Wineke, bleven elkaar tot hun ieders einde gezelschap houden. Dochter Loed trouwde met een zoon van een grote wijnhandelaar uit Rotterdam, Jan Hoogeweegen. Hij overleed binnen twee jaren. Zij hertrouwde met de op twee na actiefste rk Arnhemse BN-er, wijnhandelaar Richard Kolfschoten. Haar zusje Tonia trouwde met Theodorus Roes, lederfabrikant in Delft, eveneens grootgrondbezitter in Terborg. Het aantal wijnkopers en fabrikanten/handelaren in gedistilleerd in dit boek is verrassend hoog. Een kleine beschrijving van hun werkzaamhedenin de 19e eeuw ontbreekt dan ook niet.

Voorts wordt aandacht geschonken aan de tweede zoon: Frans Deurvorst (1857-1931) en zijn vrouw Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both (1874-1958). Frans ging als klein jongetje naar Rolduc in Kerkrade en een paar maanden naar Katwijk. Hij heeft er een levenslange afkeer van internaten aan over gehouden. Daarna volgde een opleiding, waarschijnlijk tot architect in Frankfurt. Daarna kwam hij al jong bij DRU om het vak van zijn oom Bernard Reigers te leren en het leiderschap daar over te nemen.

De bouw van Villa Zeno en de eerste jaren in Ulft komen ter sprake en worden verlevendigd door het mooie dagboek van Anna ten Have-Herzan, de vrouw van de opvolger van Anton Reigers als ‘reiziger’ bij de hut. Ook de kunstcollectie die Frans en Jacqueline aanlegden krijgt aandacht. Niet genoeg. Daarvoor is dit onderdeel te groot. Hun collectie resulteerde uiteindelijk in ongeveer honderd schilderijen, aardewerk, geëmailleerde en andere voorwerpen. Als bezitters van grote werken van Petrus van Schendel, Jan en Charley Toorop, Willy Sluiter, Herman Heijenbrock en Jan Heijse droegen Frans en Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both hun steentje aan de Gelderse kunstwereld bij.

Frans was ‘zijn’ DRU met alles wat in hem was, volledig toegedaan. De generaties lange plicht van een vader om verantwoordelijk te zijn voor de toekomst van zijn zoons volgend, had hij voor alle vijf tevoren opleiding en plaats in het bedrijf bedacht. Zijn oudste zoon Zeno zou hem als directeur opvolgen, een kandidaatsexamen economie aan de Handelshogeschool in Rotterdam volstond hiervoor maar WO I gooide vooreerst roet in het eten; Zeno meldde zich als vrijwilliger voor de officiersopleiding zodat zijn broers wegens broederdienst niet dienstplichtig zouden worden. Hij ging daarvoor anderhalf jaar naar de Kon. Mil. Academie in Breda. Al aan het einde van de oorlog mocht hij met zijn studie in Rotterdam beginnen. Begin jaren twintig begon hij als bedrijfsleider van de emailleerafdeling in Ulft. De sportieve Mel moest volgens de plannen van Pa de commerciële kant op en kreeg daarvoor een opleiding aan de Handelsschool in Rotterdam met een vervolgopleiding bij de Handelshoogeschool, waar hij voortijdig vertrok. Deze beide oudste zoons komen uitgebreid in beeld. Dat is niet het geval met de drie andere zoons Lut, Frank en Marcel. Alleen Frank kwam als chemisch ingenieur bij DRU te werken. De tijden veranderden, de mooie plannen van vader Frans om al zijn zoons een toekomst in de fabriek te geven werden nooit verwezenlijkt, in tegendeel zij werden volledig getorpedeerd zoals in het laatste hoofdstuk te lezen is.

Het boek wordt afgesloten met een overzicht van de geschiedenis van DRU, voor zover reeds besproken leden van de families Diepenbrock, Reigers en Deurvorst daarbij betrokken waren. In het hele boek is zoveel mogelijk aandacht geschonken aan de afkomst en rol van hun vrouwen. Deze informatie lag bepaald niet voor het oprapen. Zij hadden niets meer te beslissen zodra zij getrouwd waren tenzij zij het goed lieten vastleggen zoals de tweede vrouw van J.J.S. von Raesfeld.

Geef een reactie