okt 022020
 

Voor de derde zoon Willem (1809-1885) was de wijnkoperij in Terborg weggelegd en niet alleen dat. Hij hielp zijn jongere broers met hun zaak in Wageningen, investeerde in land, klom op de maatschappelijke ladder, werd een gezien man en verbouwde samen met zijn zoon Gerrit zijn huis aan de Hoofdstraat prachtig en grondig. Hij trouwde met Lidwien Reigers (1831-1900), de dochter van Aloys Reigers (Bocholt 1790- Ulft 1845) en Ludgardis Diepenbrock (Bocholt 1796-Ulft 1870). Met deze namen komt de IJzergieterij Diepenbrock & Reigers Ulft, DRU, in beeld en daarmee haar overgrootouders Bernard Diepenbrock (1727-1804) en zijn vrouw Anna Thüsing (1722-1806) uit Bocholt en de ouders van Ludgard, Anton Diepenbrock (1761-1837) en zijn uit Erbach, Zuid Duitsland, afkomstige vrouw Franciska Kesting (1763-1823). Haar vlucht uit het ouderlijk huis in Erbach, die tot haar huwelijk leidde, werd door haar jongste zoon op schrift gezet en is onderhoudende kost. De twee zorgenkinderen van dit echtpaar, de oudste zoon Ferdinand (1791-1877) en de jongste zoon Conrad Joseph (1808-1884), schrijver en revolutionair, zijn uitzonderlijke loten aan deze stam. Aan Ludgards broer, de latere kardinaal Melchior von Diepenbrock, danken we uitgebreide informatie over deze tak van de familie Diepenbrock. Bocholt was na WOII trots op deze beroemde oud stadgenoot. Zijn familie werd om die reden tot op het bot uitgeplozen. Ook de andere broers en zusjes waren het vermelden waard. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met voorbeelden van een opvallend fenomeen uit die tijd: mooi sterven, het bij vol bewustzijn het leven verlaten onder het spreken van godsdienstige teksten ter wille van een goed hiernamaals.

Van de Duitse familie Reigers is helaas weinig uit de persoonlijke sfeer bekend. Universitair studeren, goede huwelijken en veelvuldig succesvol ondernemerschap maakten hen tot vooraanstaande burgers van Bocholt.

Over het leven van de elf kinderen van Aloys Reigers en Ludgard Diepenbrock is veel nieuwe informatie boven water gekomen. De oudste dochter Ciska (1815-1888) trouwde met de Duitse Ferdinand Freiherr von Wöringen (1798-1852) o.a. organist en dirigent. Hij heeft de componist Felix Mendelsohn Bartholdy (1809-1847) nog goed gekend. Ciska werd jong weduwe en kwam uiteindelijk in Terborg terug. Voor haar zusje Jenny (1817-1866) die aan epilepsie leed, werd thuis een verzorgster aangesteld. Haar broers Bernard 1819-1895), Ferdinand (1821-1879), die tevens portretschilder was, Anton (1823-1890) en Carel (1829-1898) werden ijzergieters, ieder met een eigen stijl en specialiteit. Thérèse (1826-1895) trouwde met George Joachim Kolfschoten (1823-1895), notaris in Gendringen, Tonia (1835-1896) met de steenrijke Michael Elsensohn (1830-1905).
Ten gevolge van het feit dat zij kinderloos bleven werden zij de weldoeners van Terborg. Zoals in een goed katholiek gezin uit die tijd betaamde, telde dit gezin twee geestelijken, Frederik (1825-1908) pastoor-deken in Almelo en Eduard (1833-1900) pastoor in Hengelo en Doesburg.
Omdat er voor de vier broers Bernard, Anton Ferdinand en Karel niet altijd werk in de ijzergieterijen was leidden Bernard en Ferdinand op strikte voorwaarden een 10-tal jaren IJzergieterij Vulcaansoord, waarvan J.J.S. von Raesfeld (1770-1854) mede-oprichter was en aan wie eveneens een hoofdstuk is gewijd.

In het hoofdstuk over de kinderen van Willem Deurvorst en Lidwine Reiger wordt eerst het leven van de oudste zoon, Gerrit Deurvorst, getrouwd met Anna Lagerweij, besproken. Gerrit was medeoprichter van de Terborgsche Bouwmaatschappij, maakte daar kennis met het werk van architect Ovink en verbouwde zijn huis een aantal malen mooi en grondig. Hij liet zelfs een tuin in landschapsstijl aanleggen. Het geld voor deze dure verbouwingen verdiende hij in de van zijn voorvaderen overgeërfde wijnhandel. Gerrit stierf jong op 57-jarige leeftijd. Voor de met nog jonge kinderen achtergebleven weduwe en haar twee in de wijnhandel geïnteresseerde zonen, Frans en Theo, bracht dat niet voldoende geld op. Frans was daarom in 1916 naar Zutphen gegaan. Hij had zich ingekocht in de Zutphense wijnhandel Vetter & Co, en was daar succesvol, niet alleen zakelijk maar ook sociaal. Ook hij stierf jong in 1947. Theo zette samen met zijn zusje Miep de wijnhandel voort. De liquidatie in 1942 maar ook wat eraan voorafging wordt geschetst aan de hand van een rapport van de Duitse Verwalter die de liquidatie aan zijn Vorgesetzte in Duitsland uitvoerig uit de doeken deed en altijd, met Heil Hitler met ! afsloot.

Een hoofdstuk wordt gewijd aan de vijf dochters uit het gezin Deurvorst-Reigers. Eén schattig meisje, foto aanwezig, stierf op 8-jarige leeftijd, twee trouwden, één werd woninginspectrice bij de Staatsmijnen en twee dochters, de ‘tantetjes van de overkant’ bleven elkaar tot het bittere einde gezelschap houden, gesterkt weliswaar door een onverwachte flinke erfenis, waaraan in het hoofdstuk over Michaël en Tonia Elsensohn-Reigers uitgebreid aandacht wordt geschonken. Er was veel om te doen geweest, zowel bij zijn in de kou gezette familie als bij de pastoor die zijn omzet zag verdampen. Twee dochters trouwden met respectievelijk een zoon van een grote wijnhandelaar uit Rotterdam, Jan Hoogeweegen. Hij overleed binnen twee jaren. Zij hertrouwde met de op twee na actiefste sociale wijnhandelaar uit Arnhem, Richard Kolfschoten. Haar zusje Tonia trouwde met Theodorus Roes, lederfabrikant in Delft. Het aantal wijnkopers en fabrikanten/handelaren in gedistilleerd in dit boek is verrassend hoog. Een kleine beschrijving van hun werk ontbreekt dan ook niet.

Voorts wordt aandacht geschonken aan de tweede zoon: Frans Deurvorst (1857-1931) en zijn vrouw Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both (1874-1958). Frans was ‘zijn’ DRU met alles wat in hem was, volledig toegedaan. De generaties lange plicht van een vader verantwoordelijk te zijn voor de toekomst van zijn zoons volgend, had hij voor alle vijf tevoren opleiding en plaats in het bedrijf vastgesteld. Zijn oudste zoon Zeno zou hem als directeur opvolgen, een kandidaatsexamen economie volstond hiervoor. Mel moest de commerciële kant op en de naar zijn zin wat al te creatieve musicus in spé Lut werd naar Leiden gestuurd om daar rechten te studeren, een studie die bij DRU altijd goed van pas kon komen. Zonder medeweten van zijn ouders nam hij echter compositieles. Jurist werd hij uiteindelijk wel maar werken als zodanig was geen succes. De vierde zoon Frank kon als chemicus het super geheime emailleproces van de fabriek leiden en vooral bewaken en ging daarom naar Delft. Het nakomertje Marcel trok zich van al deze mooie plannen van zijn vader niets aan en bepaalde zijn toekomst al op vroege leeftijd door in het torentje van het ouderlijk huis, Villa Zeno, met radiogolven te experimenteren. Delft en elektrotechniek werden het later. De tijden veranderden, de mooie plannen van vader Frans werden nooit verwezenlijkt, in tegendeel, ten gevolge van de intrede van nieuwe directeuren van buitenaf en een moeilijke markt werden zij grondig getorpedeerd.
Een persoonlijke noot ontbreekt niet. Notaris van Everdingen, die veel bij de familie over de vloer kwam, was het slachtoffer van een spotlied dat door de toen naar de vijftig lopende zoons van Frans & Jacqueline nog luidkeels werd voorgedragen. Dat deden zij zo overtuigend dat hun toen aanwezige kinderen bij het horen van de Hongaarse Rapsodie nr 2 van Liszt zelfs nu nog de eerste regel in gedachten schiet … en mijnheer van Everdingen die zat op de plé te zingen tiereliereliereliere geeft mij nog wat plépapiere .. etc. Hun charme was groot, hun kattekwaad deed er niet voor onder. Moge de Deurvorstenhumor niet verloren gaan.

Ook de kunstcollectie die Frans en Jacqueline aanlegden krijgt aandacht. Niet genoeg. Daarvoor is dit onderdeel te groot. Hun collectie resulteerde uiteindelijk in bijna honderd schilderijen, aardewerk, geëmailleerde en andere voorwerpen. Als bezitters van grote werken van Petrus van Schendel, Jan en Charley Toorop, Willy Sluiter, Herman Heijenbrock en Jan Heijse droegen Frans en Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both hun steentje aan de Gelderse kunstwereld bij.

Het boek wordt afgesloten met de persoonlijke betrokkenheid van reeds besproken leden van de families Diepenbrock, Reigers en Deurvorst bij ‘Diepenbrock & Reigers Ulft’, bij deze onderneming en vooral het teleurstellende einde van deze ijzerfamilies.

Geef een reactie