okt 022020
 

In Deel I volgen wij de eerste Deurvorst in Doesburg, Willem (1662?-1720), waarvan met grote zekerheid vermoed kan worden dat hij geboren is in de omstreken van Gendringen en na de dood van zijn moeder in Doesburg opgroeide. Willem trouwde met Ricxken te Veldt (1653-1727), die door haar weduwschap de bezitster was geworden van herberg en bierbrouwerij De Bonte Os. Naast het beheer van de herberg en bierbrouwerij was Willem vaak de tussenpersoon in de handel tussen producent en gebruiker en omdat dat niet altijd zonder ruzie ging leverden de Doesburgse archieven redelijk veel materiaal over zijn leven op. Willem en Ricxken, die bij haar trouwen in 1695 al 43 jaar was, kregen één kind Gerrit/Gerhard (1697-1769).

Tweeëndertig jaar was Gerhard, zoals hij zich, ouder en belangrijker geworden, in officiële stukken liet noemen, toen hij 21 oktober 1730 met de 28-jarige Anna Wolters (1702-1730) trouwde. Anna kwam uit een welvarend RK gezin. De broer en het zusje van Anna’s moeder, Derck en Judith Cousijns, hadden een goed lopende stoffen- en fourniturenwinkel op de Vismarkt. Zij hadden op 21 april 1724 haere geheele Besonkel met en neffens haeren inboedel en alle in de winkel zijnde en gehorende, aan haeren nichte Anna Wolters in volkoomen eigendom overgegeven. Gerrits lieve Bruijde kwam echter op gruwelijke wijze in het kraambed om. Omdat Anna meer had bezeten en ook nog andere erfgenamen had werd de boedelverdeling nauwkeurig genoteerd en met scherpe blik door alle betrokkenen gevolgd. Dat geeft een goed inzicht in het reilen en zeilen van een jong welvarend koopmansechtpaar in het stadse Doesburg in het midden van de 18e eeuw.
Vijftien jaar was Antonetha Koetsiers (1716-1797) toen Gerrit haar als zijn tweede vrouw in 1732 naar het altaar voerde. Zij bleek een goede keus. Intelligent, vruchtbaar en eveneens een goede handelsvrouw.

Het was niet altijd pais en vree in de koopmanswereld. Geleverd hooi moest goede en leverbare coopmansware zijn en toen daar een keer twijfels over rezen deed de koper, de hobbyjurist Jan Janssen, Gerrit een proces aan. Ook Gerrits werk als pachter van ‘s lands impositiën op wijn verliep niet zonder moeilijkheden. Gerrit was van oordeel dat de tappers de wet in ernstige mate overtraden door waren achter te houden of te verstoppen maar toen hij daar bezwaar tegen maakte gaven de Edele Mogende Heren te Deventer uit eigen belang niet thuis. Je maakte er alleen maar vijanden mee, was hun mening.
Van een hele andere en veel grotere orde was een proces, dat Gerrit in zijn kwaliteit van pachter van de in- en uitvoerbelastingen, tegen een Doesburgse burger aanspande, een geschil over valsheid in geschrifte dat zich ruim acht jaren voortsleepte, tot in het Hof te Arnhem werd uitgevochten en daar een verrassende uitkomst kende omdat, hoe ongelofelijk het nu nog mag klinken, religiejustitie destijds wel degelijk bestond. Het zou Gerrits oudste zoon Jan Hendrik (1749-1812) in Terborg, vijftig jaar later overigens opnieuw overkomen. Het feit dat Gerrit garant stond bij de pacht van de Doesburgse schipbrug bracht wetenswaardige details over de schipbrug boven tafel. De stad verdiende goed toen Ihre Majestät Frederik II van Hohenzollern in 1730 in zijn koets met zes paarden de schipbrug passeerde. Een kleine stop in Doesburg zat er jammer genoeg niet in. Gerrit was ook zakelijk betrokken bij de boom- sleeppacht over de Oude IJssel. Voor de Doesburgse Magistraat was door de oprichting van een nieuwe ijzerhut in Ulft in 1755 (de latere DRU fabrieken) een plotselinge mooie bron van inkomsten mogelijk.
Uit het huwelijk van Gerrit en Antonetha werden 11 kinderen geboren. De herkomst van twee van hen kon vanuit de katholieke geboorteregisters niet worden verklaard. Alle kinderen komen wel aan bod, waarbij de twee jongens en twee meisjes die geen koopman werden of met een koopman trouwden maar voor een religieus leven kozen de interessantste bleken te zijn. Pastoor Harmannus (1742-1810) is hierbij de meest kleurrijke. Na kapelaan te zijn geweest in Groenlo werk hij pastoor in Lathum en Groesbeek. Daar kon hij na vele jaren zijn vurige wens, een eigen kerkje met een eigen bedoeninkje, vervullen. Uit de archieven en de familieoverlevering komt hij naar voren als een soort Fernandel die doortastend en met humor zijn parochianen in het gareel hield en zijn voor de zondagse Hoogmis verzamelde familie niet op een verbrande eend wilde tracteren. Tijdens de zondagse Hoogmis zong hij in zijn plaatselijk getinte Gregoriaans de meid toe met de woorden

Cave entum, anders verbrandt ‘m zien conterentum’

zoals dit in de familie tot aan het midden van de 20e eeuw nog met verve werd nagedaan.

Geef een reactie